Op de plaats van de oude kerk uit 1105, die door de St. Elizabethsvloed op 18 november 1421 is verzwolgen, werd waarschijnlijk een paar jaar later de kleine kerk herbouwd. Zie afbeelding (nu het achterste deel van de kerk). Deze kleine kerk had een torentje, dat sinds de restauratie van februari 1993 weer goed te zien is. Het is achtkantig en voorzien van galmgaten. Het betreft het huidige ooievaarsnest.

In 1448 werd een aanvang gemaakt met het bouwen van de tegenwoordige kerk. Deze is tegen de kleine kerk aangebouwd. Aan de buitenzijde is goed te zien dat de muur van de kleine kerk verhoogd is ten behoeve van het grote dak. De stenen zijn in een andere richting gemetseld. In het jaar 1452 werd de kerk, evenals de vorige, gewijd aan Sint Joris ook al was de kerk nog niet helemaal voltooid. Tot 1466 moesten er nog allerlei werkzaamheden aan de kerk gedaan worden. Aan het eind van de 15e eeuw verrees tegen de zuidwand een kapel met een kruisgewelf. Deze kapel werd later gebruikt als cachot en doet thans dienst als garderobe.

In 1572 werd de kerk door toedoen van de watergeuzen voor de Reformatie gewonnen. Deze geuzen hebben ook de Sint Joriskerk gezuiverd van beelden en altaren. Vermoedelijk hebben na die dag geen rooms-katholieke diensten meer in de kerk plaatsgevonden. Een hardstenen ornament, ingemetseld in de buitenmuur aan de noordzijde van de toren, herinnert nog aan deze tijd.

In 1574 werd de eerste protestantse dienst gehouden. Dus ruim 400 jaar wordt hier inmiddels het evangelie gepredikt. Sinds de in 1602 aangelegde singel rondom de kerk, wordt de kerk Singelkerk genoemd. In 1611 werd de toren door een zwaar onweer getroffen en in 1640 werd ze door een hevige zuidwesterstorm weggerukt. De huidige toren verrees in 1643.

De preekstoel werd in 1721 verplaatst naar de torenzijde en in 1840 weer teruggeplaatst aan de zuidzijde (huidige plaats), zodat er aan de torenzijde een gaanderij kon worden gebouwd.

In de Franse tijd (1795-1813) is de toren overgegaan in eigendom van de burgerlijke gemeente, welke sindsdien ook voor het onderhoud zorg draagt.

Rondom de kerk was een begraafplaats en er werden ook in de kerk mensen begraven. Dit laatste werd door de overheid in 1829 uit hygiënische overweging verboden.

singelkerk 1920

De Singelkerk na de brand van 22 maart 1920

De kerk en de toren werden in 1920 door brand verwoest. De oorzaak is niet zeker, ook al wordt in de volksmond hardnekkig gesproken over het omtrappen van een stoof met gloeiende kolen bij het verlaten van het kerkgebouw. Dit verhaal kan niet op waarheid berusten. Waarschijnlijk is kortsluiting de oorzaak - hetgeen in 1920 al werd geopperd - of het laten liggen van een brandende sigaar bij werkzaamheden na afloop van de dienst. Gelukkig werd de kanselbijbel en het archief gered. Slechts de muren bleven staan. De grafzerken in de kerk werden onherstelbaar beschadigd, evenals het praalgraf van de familie Groeninx van Zoelen. Bij de herbouwwerkzaamheden werden aan de noordzijde een uitbouw en aan de zuidzijde een consistoriekamer aangebracht. Precies een jaar na de brand werd de gerestaureerde kerk in 1921 weer in gebruik genomen.